Nederlands

Les 4: input

Vandaag gaan we leren

  • Invoer te gebruiken in je programma met input()

Herhaling

Dit programma bevat een lijst

Weet je dit nog?

  • Een lijst heeft een andere kleur dan tekst, net als een variabele
  • Om aan te wijzen in een lijst gebruik je rechte haken [ ]
  • Het eerste woord is... woord 0!
  • Je mag niet hoger dan
    het aantal woorden in de lijst - 1
dieren = ['schildpad', 'kikker']
print('De', dieren[0], 'loopt door het bos.')

Demo

Aan de slag met je werkblad

Werkblad Even opfrissen 

  • Begin een nieuwe pagina en schrijf bovenaan je schrift:
    Les 4a, [datum van vandaag]
    Even opfrissen
  1. Goed of fout?
    1. Goed -> schrijf wat de code print
    2. Fout -> schrijf FOUT
    3. Extra: schrijf ook wat er fout is
  2. Maak de code af (alleen de lijst en aanwijzer)

Invoer in je programma

Soms wil je dat de lezer van je verhaal, mee kan beslissen over het verloop van het verhaal!

 

Dat kan. Met input() kun je de lezer vragen om iets in te tikken.

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
input()

Let goed op:

  • de ronde haakjes achter input() Die moeten er echt bij!
  • Je moet naar het uitvoerveld gaan om een
    antwoord in te tikken. Anders loopt de code
    niet verder.

Demo

Invoer opslaan

Alleen invoeren is een beetje saai. De code moet erop reageren. 

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
input()

Invoer opslaan

Alleen invoeren is een beetje saai. De code moet erop reageren. Daarvoor moet je de invoer opslaan in een variabele.

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()

Invoer opslaan

Alleen invoeren is een beetje saai. De code moet erop reageren. Daarvoor moet je de invoer opslaan in een variabele.

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()

Let op deze dingen:

  • Achter input moeten nog steeds ronde haakjes
  • Kies een duidelijke variabelenaam

Invoer opslaan

Alleen invoeren is een beetje saai. De code moet erop reageren. Daarvoor moet je de invoer opslaan in een variabele.

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)

Nu het dier is ingevoerd is in de variabele, kun je het dier in je verhaal gaan gebruiken.

Invoer opslaan

Alleen invoeren is een beetje saai. De code moet erop reageren. Daarvoor moet je de invoer opslaan in een variabele.

Nu het dier is ingevoerd is in de variabele, kun je het dier in je verhaal gaan gebruiken.

 

Denk eraan dat er geen aanhalingstekens
om de variabele horen.

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)

Demo

Aan de slag met je werkblad

Werkblad Input

  • Lees goed!
  • Kijk goed wat de input van de gebruiker is.
  • Schrijf op wat er wordt geprint

Fouten bij invoer

Ook bij invoer kunnen er dingen misgaan.

Belangrijk om te weten:

  • Een ) vergeten geeft een SyntaxError
  • Allebei de () vergeten geeft... geen error
    maar wel iets heel geks
print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)

Demo

Aan de slag met je werkblad

Werkblad Fouten bij input

  • Lees goed!
  • Opdracht 1
    • ​Is de code fout? Schrijf dan het woord 'FOUT'.
    • Is de code goed? Schrijf wat de code print.
  • Opdracht 2
    • Alle codes zijn fout. Wat is er mis met de code?

Printen zonder komma's

We moeten nu wel erg veel typen!

Het kan iets makkelijker, want niet tussen ieder woord hoeft een komma. Je mag ook een stukje zin in één keer printen, namelijk zo:

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)

Printen zonder komma's

We moeten nu wel erg veel typen!

Het kan iets makkelijker, want niet tussen ieder woord hoeft een komma. Je mag ook een stukje zin in één keer printen, namelijk zo:

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)
print('Over welk dier gaat het?')
dier = input()
print('Dit verhaal gaat over', dier)

Printen zonder komma's

We moeten nu wel erg veel typen!

Het kan iets makkelijker, want niet tussen ieder woord hoeft een komma. Je mag ook een stukje zin in één keer printen, namelijk zo:

print('Over', 'welk', 'dier', 'gaat', 'dit', 'verhaal?')
dier = input()
print('Dit', 'verhaal', 'gaat', 'over', 'een', dier)
print('Over welk dier gaat het?')
dier = input()
print('Dit verhaal gaat over', dier)

Let op! Voor een variabele moet wel altijd een komma!

Demo

  • Werkblad 4b, datum van vandaag
  • opdracht 1
  • opdracht 2
  • opdracht 3
  • opdracht 4
  • opdracht 5 (extra)
  • opdracht 6 (extra)

Schrijf in je schrift:

Op de computers

Werkblad b

  • Ga naar repl.it en log in op je account
  • Opdracht 1 tot en met 4

Klaar?

  • Opdracht 5 en 6
  • Nakijken
  • Extra opdracht

Vandaag hebben we geleerd

  • Invoer te gebruiken in je programma met input()

CS Certificate - Module Nederlands - Les 4

By VHTO

CS Certificate - Module Nederlands - Les 4

Computer Science Certificate is een initiatief van VHTO in samenwerking met Universiteit Leiden en wordt mogelijk gemaakt door Salesforce.org.

  • 10
Loading comments...

More from VHTO